Getuige een oude foto was ik twee maanden oud toen ik, hangend in de draagzak bij mijn moeder, voor het eerst een bosgebied betrad. Ik weet niet welke geest ik toen heb gezien maar ik beschuldig hem van mijn grote fascinatie voor bomen en bossen. Nu probeer ik, weliswaar door het oog van mijn camera, hem tijdens mijn boswandelingen terug te vinden: deze Genius Loci, de geest van de plek. Soms heb ik het geluk en ontmoet ik hem, maar vangen zal ik hem nooit willen doen. 

Ik maak graag kleine fotoseries waarbij ik een visueel spel speel met clichés rond ideeën over wilde natuur. Traditionele vormen van natuurfotografie leiden meestal tot de clichématige weergave van wilde of ongerepte natuur: eenvormig, kleurrijk, lief en braaf. De geest van de plek is hierin verdwenen. Zelfs bij gebruik van een realistisch medium als fotografie laat ik voorstellingen zien van gecultiveerde natuur die doen vermoeden dat ze in verre dichte, donkere bossen zijn gemaakt. Het zijn beelden waarin de Genius Loci niet gevangen zit, maar juist vrijelijk ronddoolt.

Het fenomeen ‘lopen’ dat in de negentiende eeuw wandelen werd en van noodzaak in ontspanning veranderde (Brinckmann, 2015), heeft de optimale snelheid om na te denken en te werken (Kahneman, 2016). In dit tempo begeven we ons in het “oerritme” van weleer “waarin onze zintuigen evolutionair het meest optimaal op de omgeving zijn afgestemd” (Brinckmann, 2015, p. 7). Maar wandelen kan ook worden gezien als stimulans voor creatief denken (O’Mara, 2019). Vanuit deze stellingen vroeg ik mij als fotograaf af: welke invloed heeft wandelen op de waarneming?

 

 

Sinds de mens op twee benen is gaan staan, is lopen een natuurlijke manier om men zich te verplaatsen of om de omgeving te verkennen. “Het hoofd werd bijgevolg een uitkijkpost” (Van Woerkum, 2019, p. 35) waarmee we de horizon kunnen afspeuren op zoek naar mogelijke prooien of om zelf niet ten prooi te vallen. In verloop van tijd heeft de functionele blik van de mens zich verder ontwikkeld en kan het oog ook worden aangewend om van een waarneming te genieten.

Van Woerkum (2019) onderscheidt verschillende ziensblikken. De eerste blik is de manier waarop wij focussen. Van Woerkum (2019) noemt dit het ‘brede kijken’ en ‘het gerichte’ kijken. Deze blik komt in de fotografie overeen met de cameralenskeuzes voor groothoek-, standaard- of telelens. Zo kunnen we kiezen om uit te zoomen en het landschap te bewonderen waarin alles in relatie tot elkaar staat, of in te zoomen op een groepje bomen of een plantje. Hoewel beide gezichtspunten gecombineerd kunnen worden, legt de een meer accent op het geheel en de ander juist op detail. Aan deze kijkperspectieven kan ook het ‘verticale kijken’ worden toegevoegd (Brinckman, 2015). Het gaat hierbij weliswaar over de verticalisering van het landschap en waarmee het kijken van boven naar beneden wordt bedoeld zoals bij luchtfotografie, maar ik merk dat in het bos mijn blik vanuit mijn menselijk perspectief (ooghoogte) ook sterk verticaal wordt bepaald. In de wijze van kadrering kan ik door een horizontale of verticale cameravoering dit verticale kijken juist tegenwerken of versterken. Ik betrap mijzelf er vaak op dat ik vaker staande dan horizontale foto’s maak, terwijl bijna alle landschapsfoto’s juist horizontaal gemaakt worden. In het Engels wordt niet voor niets de horizontale cameravoering landscape genoemd. Ik denk dan ook dat ik niet zozeer een verticale cameravoering hanteer omdat de bomen verticaal staan maar omdat ik meer spanning in mijn compositie kan opbouwen. Onze ogen staan naast elkaar waardoor we zijn gewend om ‘breed te kijken’. Alleen al een kwartslag draaiing van de camera geeft dus een andere kadering op hoe we normaal waarnemen.

De tweede blik past bij ‘een esthetische natuurbeleving (‘wat is het hier mooi’) tegenover een meer cognitieve manier van kijken (‘wat vliegt daar, wat groeit hier?’)’ (Van Woerkum, 2019, p.70). Als derde blik noemt Van Woerkum (2019) de in zijn ogen negatievere variant: de bedenkelijke blik. Deze is vooral gericht op wat er niet deugt in of aan de gemaakte natuur, en op sporen die mensen in de natuur of het landschap achterlaten. Dit kritisch kijken staat haaks op het onbevangen kijken en past geheel in de denkwijze van de Zwitserse socioloog Lucius Burckhardt die in de jaren ‘80 bij de Gesamthochschule in Kassel de faculteit voor Spaziergangswissenschaft oprichtte (The Science of Strollology). De wandelwetenschap van Burckhardt is gebaseerd op een verzameling (voor)kennis waarmee wij onze omgeving waarnemen. De bewuste wandelaar stelt daarbij vragen als: waarom zien wij wat wij zien en wat bepaalt de betekenis die wij aan onze waarneming geven? Onze (romantische) blik op het landschap is sterk beïnvloed door de schilderkunst en later de fotografie en ansichtkaarten. Vraag iemand het Nederlandse landschap te beschrijven en het antwoord zal veelal weiland, koeien en molens bevatten. Niemand zal de elektriciteitsmasten, de windmolens of reclameborden langs de snelweg benoemen. Het landschap ontstaat echter door wat mensen ervan maken. En het (wandel)landschap wordt eindeloos gemarkeerd en gecodeerd; van de route naar de parkeerplaats, van de gebods- en verbodsborden tot en met bewegwijzerde routes in het bos. Strollogie gaat uit naar die dingen die zich aan onze waarneming onttrekken omdat we ze gewoonweg niet willen zien in ons ideale plaatje.

Hoewel mijn vinger pas voorbij dit stukje wasteland kriebelt om op de cameraknop te drukken, voel ik mij ook dieper in het bos verwant aan de wandelwetenschap van Burckhardt. Niet zozeer in het vastleggen van dit kritische kijken als wel in het betekenis geven van onze waarneming en de kennis door voorgeprogrammeerde ideaalplaatjes. Zoals eerder gezegd speel ik graag een visueel spel met clichés rond ideeën over wilde natuur. Het hedendaagse bos is een soort museum geworden, een volledig door boswachters beheerde ruimte waarin je binnen de gebaande paadjes moet blijven en waarin je alleen mag kijken en niets mag aanraken. Het vermogen om waar te nemen waar je écht bent en je natuurlijke kompas zijn uitgeschakeld. Wandelen lijkt tegenwoordig slechts nog tot doel te hebben om zo snel mogelijk langs fantasieloze gekleurde paaltjes te lopen om weer aan te komen vanwaar je vertrok, meestal daar waar je auto staat. Het contrast in ervaring tussen de onbekommerde recreant van nu en de altijd op zijn hoede zijnde wandelaar van vroeger kan voor mij niet groter zijn.

Volgens Immanuel Kant heeft wandelen juist niets met een bepaald doel te maken; niets met een plaats van bestemming als ook niets met de doelmatigheid van het object (Van den Braembrussche, 2012). In mijn geval het bos. Ik loop een bos in zonder dat ik word gehinderd door een route die ik moet volgen of dat ik word gehinderd door het ontbreken van kennis omdat ik niet weet welke soorten bomen ik zie. Mijn ogen bepalen in welke richting ik mijn voeten zet. Maar met mijn camera in de hand ben ik niet onbekommerd aan het wandelen. Ik ben een natuurflaneur en beeldzoeker ineen. Al wandelend ben in hoge mate geconcentreerd aan het werk op zoek naar een samenkomen van vormen die net zoals voor Kant een gevoel oproepen daar waar de schepping en het bewust zijn van schoonheid belichaamd worden door ‘doelmatigheid zonder doel’ (Froderberg & Kaag, 2020). Kant spreekt daarbij ook van de esthetisch ervaring en het belangeloos welbehagen. Ik ben me daarbij bewust van Burckhardts voorgeprogrammeerde ideaal- of ansichtkaartenblik die ik te allen tijde probeer te mijden alsook de puur esthetische blik van Kant waardoor mijn foto’s alleen maar onder de noemer “mooi” weg te schrijven zouden zijn.

Henry David Thoreau (2017) beschrijft in het boek “Wandelen” een voor mij herkenbaar gevoel. Hij stelt hoezeer vertrouwde plaatsen de mogelijkheid in zich dragen om van gedaante te veranderen en hoe immens veel plekken er dicht bij huis zijn om nog te ontdekken. (Thoreau, 2017) Want nooit zie je hetzelfde. Iedere stap verandert je perspectief op het onderwerp, er ontstaat een nieuwe vorm, een andere hiërarchie, een andere ordening van de objecten. Ook het weertype en tijdstip van de dag maken deel uit van deze veranderingen. Daarbij geldt voor mij dat elke wandeling een reis is, een vertelling. Daarom maak ik graag series. Een reeks waarin verbeelding en realiteit steeds meer met elkaar vervlochten raken. Verplaatsing door te wandelen is daarbij een voldongen feit. ‘Ze [een wandeling] ontregelt de blik door je oog gevoelig te maken voor allerlei variaties en details in de werkelijk om je heen’ (Breton, 2018, p.85). Ik fotografeer in gecultiveerde, voornamelijk Nederlandse bossen en niet in oerbossen waar het beeld zich als zodanig al aan me opdringt. Ik zoek naar plekken waar het onbehagen begint, waar chaos heerst, waar de Genius Loci zich verstopt en je als godvrezende ziel liever geen voet verder zou zetten, maar tegelijkertijd bedwing ik deze plekken door ze esthetisch vorm te geven en te beheersen.

 

Het liefst ben ik, net als Jean-Jacques Rousseau, tijdens deze wandelingen alleen: vrij om solitair met mijn gedachten te dolen, met mijn verbeelding in volle actie, dromend en mijmerend over de geschiedenis van verhalen en de dingen. Met als doel die wijze van waarnemen mogelijk te maken zodat, zoals Van Woerkum (2019) beschrijft, wat je ziet zich verbindt met wat in jezelf zit. Een waarneming die interactie toelaat, zeker als je langer blijft kijken en je ontvankelijk raakt voor het eigene van juist dit tafereel.

 

 

  foto Anouk Gielen Woods, 2015

 

 

Literatuur:

 

Breton, D. L. (2018). Ode aan het wandelen (1ste editie). Waarbeke, Belgie: Waerbeke.

Brinckmann, E. (2015). Filosofische wandelingen (1ste editie). Zeist, NL: Knnv Uitgeverij.

Burckhardt, L. (2015). Why Is Landscape Beautiful?: The Science of

Strollology (M. Ritter & M. Schmitz, Reds.). Basel, Zwitserland: Birkhäuser.

Frodenberg, S., & Kaag, J. (2020, 2 mei). Een keer níét recht op je doel af: wandelen. Het Financieele

Dagblad. Geraadpleegd van https://fd.nl

Kahneman, D. (2020). Ons feilbare denken. Amsterdam, Nederland: Business Contact.

O’Mara, S. (2020). Te voet (1ste editie). Amsterdam, Nederland: De Bezige Bij.

Thoreau, H. D. (2017). Wandelen (1ste editie). Groningen, NL: Historische Uitgeverij.

Van den Braembussche, A. (2012). Denken over kunst. Bussum, Nederland: Uitgerij Coutinho.

Van Woerkum, C. (2019). In contact met de natuur. Utrecht, Nederland: IJzer, Uitgeverij.